Het lot van een Interista

Dit artikel van de hand van Willem Haak verscheen in april 2018 in Staantribune.

Adriano, José Mourinho en vooral Diego Milito. Het zijn namen die de liefde van Willem Haak voor Inter door de jaren heen aanwakkerden. Zijn favoriete club in Nederland was van jongs af aan Ajax, zijn passie voor het Italiaanse voetbal en de nerazzurri kwam pas later op gang. “Er waren een hele hoop potjes FIFA, veel vakanties in Italië en een succesvolle Champions League-campagne voor nodig om de liefde te doen groeien.”

Zoals veel jongens van mijn generatie (geboortejaar 1996) groeide ik op met de Premier League als de grootste competitie ter wereld.Na het succesvolle decennium van de Serie A eind jaren negentig, werd deze machtspositie na de eeuwwisseling overgenomen door het Engelse, Duitse en Spaanse voetbal. In huize Haak stonden in het weekend dan ook vooral wedstrijden aan uit de Premier League, Bundesliga en de Primera División. Ole Gunnar Solskjær, Carsten Ramelow en Roy Makaay vulden het beeldscherm in de woonkamer in Zeist.

Pas later kwam de Serie A in de picture. De interesse ontstond vooral door de zomervakanties aan het Lago di Caldonazzo. Op de markt in het nabijgelegen Trento stonden kraampjes met goedkope voetbalshirtjes van (vooral) Italiaanse clubs. Het eerste shirt dat ik voor een tientje op de kop wist te tikken? Het blauw-zwarte van Inter. Achterop stond rugnummer 10 met de naam van Adriano, op dat moment nog een veelbelovende spits en sterspeler van de nerazzurri.

Vanaf dat moment besloot ik Inter te volgen. Weliswaar kende ik de club al door de Champions League-duels tegen Ajax, waarin Crespo steevast uitblonk, maar echt bekend met de nerazzurri was ik nog niet. Aan het begin bleef Inter dan ook vooral een vakantieliefde. Het volgen van de Milanese club ging niet veel verder dan het checken van de uitslagen op internet en het kiezen van Inter tijdens spelletjes als FIFA en later Football Manager.

Bovendien keek ik eigenlijk alleen de wedstrijden van Inter tegen het AC Milan van Shevchenko, Maldini en Seedorf, spelers die ik stiekem ook diep bewonderde. Desondanks riep de naam Milan destijds al een negatief beeld bij me op, vooral door de Champions League-ontmoetingen tegen Ajax in 2003. Ik was zes en mocht langer opblijven om de returnwedstrijd in San Siro te zien. Nadat het in Amsterdam 0-0 was geëindigd, stond het in Milaan na negentig minuten 2-2. Voor Ajax genoeg om door te gaan, totdat Tomasson in de laatste seconden scoorde. 3-2. Milan door. Huilen.

In Europees verband juichte ik destijds (en dat doe ik nog steeds) voor elke Nederlandse club. Een tweede negatieve ervaring met Milan was dan ook de uitschakeling van PSV in de halve finale van de Champions League van 2005. Het doelpunt van Ambrosini in de negentigste minuut staat nog steeds in mijn geheugen gegrift. Weer kropen de milanisti door het oog van de naald. Mijn hekel aan de rood-zwarte club uit Milaan was gevormd. Dat was jaren voordat ik de Serie A en vooral Inter fanatiek ging volgen.

Omslagpunt

Hoewel Inter al een tijdje mijn club in Italië was, kwam in 2010 echt het omslagpunt. Dat had alles met de succesvolle Champions League-campagne te maken. Ik genoot al met volle teugen van de manier waarop Inter in de kwartfinale Chelsea uitschakelde, maar de wedstrijden in de halve finale tegen Barcelona gaven de doorslag.

Doordat Barcelona fantastisch voetbalde, leek heel voetbalminnend Nederland in 2010 ineens fan van de Catalanen. Zo ook in mijn vriendengroep. Barcelona zou Inter wel eventjes uitschakelen. Dat bleek veel lastiger dan vooraf gedacht. In Milaan speelden Maicon, Diego Milito en Wesley Sneijder fantastisch, en het werd 3-1 voor Inter. Niet alleen in Milaan werd hard gejuicht. Ook in de woonkamer in Zeist stond ik juichend voor de tv.

Een week later moest Inter in Catalonië de 3-1 voorsprong verdedigen. Nog steeds was de algemene tendens dat Barcelona het varkentje wel even zou wassen. Ik had zelf een (vroege) avondwedstrijd en was net op tijd thuis om een door Busquets aangenaaide rode kaart voor Inter-middenvelder Thiago Motta te zien. Het was het moment waarop Mourinho besloot het nóg meer op de verdediging te gooien. Inter leunde met tien man achteruit en viel niet meer aan.

Op dat moment explodeerde de Whatsapp-groep met mijn vrienden. Inter werd beticht van verdedigend, laf en irritant spel en iedereen was op de hand van Barcelona. Ik niet.

Ik was de enige die genoot van de Italiaanse strijd voor de overwinning. Ik was de enige die genoot van Diego Milito, op dat moment misschien wel de beste spits ter wereld, maar die wedstrijd regelmatig in zijn eigen zestien te vinden. En ik was de enige die genoot toen José Mourinho provocerend het veld op rende om de finaleplek te vieren. In de voetbalwereld was het Inter tegen de rest. In mijn wereldje was het een beetje Willem Haak tegen de rest.

Pazza Inter

Barcelona – Inter bleek een omslagpunt. Sinds die wedstrijd probeer ik alle wedstrijden te zien, minimaal twee keer per seizoen naar het San Siro af te reizen en is Inter mijn echte passie. De Champions League-finale had daar niet eens meer een grote invloed op.

Was de liefde voor Inter een echte keuze geweest, dan hadden we kunnen constateren dat ik op het verkeerde moment ben ingestapt. Sinds 2010 wonnen de blauw-zwarten maar twee prijzen, eindigden ze (of mag ik ‘we’ zeggen?) onder andere op een zevende, achtste en negende plek en zag ik elf trainers passeren.

Steeds wanneer Inter aan de top terug lijkt te keren, gaat het mis. Elke keer doen de nerazzurri de bijnaam van Pazza Inter (‘Gek Inter’) eer aan. Het is vaak wachten op een vrije val, waarin Inter vier of vijf wedstrijden op een rij verliest. Een successupporter ben ik in ieder geval niet meer te noemen. Ondanks de magere jaren begint het seizoen van een gemiddelde interista meestal vol hoop. Vaak heeft de sportief directeur een aantal nieuwe spelers aangetrokken, staat er een nieuwe manager voor de groep en is er beloofd dat het nu echt het seizoen is waarin Inter weer gaat presteren. Meestal zijn de voortekenen goed en lijkt de trainer het goed voor elkaar te hebben. In de voorbereiding draaien de nerazzurri aardig en het enthousiasme onder de fans groeit.

De voorbereiding wordt meestal goed vervolgd. Inter wint en draait de eerste paar maanden van het seizoen met de top mee. Het is het moment waarop de gemiddelde interista vaak begint te zweven. Zou dit Inter eindelijk weer mee kunnen doen om de Italiaanse titel? Zouden de nerazzurri het hoge niveau eindelijk weer eens het hele seizoen vol kunnen houden? En als dat niet lukt, zit er dan op zijn minst een succesje in de Coppa Italia in?

Het is een vragenvuur waar de Italiaanse sportkranten vaak het antwoord op denken te weten. Wint Inter met 1-3 bij Juventus? Dan wordt Inter-manager Stramaccioni in de Gazzetta dello Sport met José Mourinho vergeleken.

Blijkt het San Siro ineens elke week volgepakt? Dan beweert de Tuttosport dat er in Milaan een titelsfeer hangt. Verslaan de nerazzurri de eerste tegenstanders elke week met 1-0? Dan kan het Napoli, Roma en Juve voorblijven, volgens de Corriere dello Sport.

Het is meestal het moment waarop ik mijn Italiaanse vrienden en vriendinnen gekscherend begin te whatsappen. Staat Inter eerste, dan wordt een berichtje ineens afgesloten met “een knuffel van de trotse koploper” of “Ik zie jullie in mei”.

De fans, onder wie ik, en de kranten zouden echter beter moeten weten. De geschiedenis leert namelijk dat het in december meestal faliekant mis gaat. Inter stelt één wedstrijd teleur en lijkt de mentale klap de volgende duels niet te boven te komen. Het gebeurde onder Ranieri. Het gebeurde onder Stramaccioni. Het gebeurde onder Pioli. Dit seizoen gebeurde het onder Spalletti. Steevast veranderde het mooiste meisje van de klas plotsklaps in een lelijke heks. Wordt de vrije val ingezet, dan stromen de berichten uit Italië binnen: “Ik zou voortaan niet appen voor het einde van de competitie, Willem.” Ik kan erom lachen.

Kikker

Het cynisme is een kenmerk van de gemiddelde interista. In haar 110-jarige bestaan werd de club meerdere malen getroffen door zwarte decennia vol prijzendroogte. David Endt beschrijft in zijn boek Mijn Inter dat de zelfspot steevast een middel is om het leed van de supporter een beetje te verzachten. Vaak is de humor een kleine pleister op de wonden. Wat betreft zelfspot staat Inter wél bovenaan de ranglijsten.

Zo ook in 2015. Na jaren vol trouwe dienst besloot eeuwig aanvoerder Javier Zanetti zijn voetbalschoenen aan de wilgen te hangen en in een andere rol voor Inter te gaan werken. Bij gebrek aan beter werd Andrea Ranocchia benoemd als vervanger en gepromoveerd tot aanvoerder. Door zijn slordige dekking was de lange slungel echter niet geliefd bij de supporters van Inter. De keuze van de club om de centrale verdediger tot capitano te bombarderen werd dan ook flink bekritiseerd. Omdat Ranocchia in het Italiaans ‘kikker’ betekent, was de grap al snel gemaakt. In de voorbereiding op het seizoen trokken twee vrouwelijke supporters naar het trainingscomplex van Inter om hun onvrede kenbaar te maken. Gewapend met een spandoek kwamen de twee fans bij de training aan. Tekst op het doek: “Ranocchia, als ik je kus, verander je dan in een voetballer?” Waarschijnlijk is het de dames niet gelukt een kus te bemachtigen, want Ranocchia bleef het gehele seizoen stuntelen.

Het was het seizoen dat ik wél enorm dichtbij het vuur zat. Mijn passie voor Inter was inmiddels zo groot dat het een van de redenen was om Italiaans te leren en een jaar in Italië te verblijven. Ik had de Serie A inmiddels jaren gevolgd met het commentaar van onder meer Emile Schelvis. Nu was het tijd om de taal en de competitie zelf eens goed te leren kennen. Omdat ik lieve ouders heb en ook zij het nut inzagen van het leren van een extra taal, trok ik naar de Laars.

Sassuolo-uit

Uiteindelijk woonde ik tussen 2014 en 2015 achtereenvolgens in Bologna, Florence en een plaatsje dichtbij Milaan. Ik ging voor zes maanden naar een talenschool en leerde de Gazzetta dello Sport zelf lezen, in plaats van steevast Engelse vertalingen op internet op te zoeken.

Dat seizoen bezocht ik enorm veel wedstrijden.

Dat waren meestal duels van Bologna en Fiorentina, aangezien die dichtbij waren. Vooral de wedstrijden bij de harde kern van La Viola waren fantastisch. Fiorentina haalde dat seizoen de halve finale van de Europa League en ik geloof dat ik in de knock-outfase geen enkel thuisduel heb gemist. Vaak was het stadion twee uur voor de wedstrijd al stampvol. Iets wat je in Nederland nooit zal zien. Bovendien was de sfeer in het prachtige Artemio Franchi vaak geweldig.

Een van de wedstrijden die ik dat seizoen in Florence zag, was het duel tussen Fiorentina en Inter. Het werd een van de ergste dieptepunten van het jaar. Inter bakte er helemaal niets van en werd volledig afgedroogd door La Viola: 3-0. Gelukkig zat ik dat duel niet bij de harde kern en kon ik blijven zitten bij de doelpunten. Net als de vader en dochter voor mijn neus, overigens. Gedeelde smart is halve smart, maar die avond in Florence was de teleurstelling alsnog erg groot.

Tegen beter weten in ging ik dat seizoen uiteindelijk tóch nog naar twee uitduels van Inter. Het eerste was bij Empoli, waar Inter niet verder kwam dan een saaie 0-0. Omdat ik niemand zo gek kon krijgen om een dure treinreis naar Emilia Romagna te boeken, werd Sassuolo – Inter het eerste duel ooit dat ik helemaal in mijn eentje bezocht. In het uitvak van misschien wel het lelijkste stadion van Italië zat ik voor het eerst tussen de mannen van de Curva Nord. Nadat Inter er deze keer met 3-1 af was gegaan, spurtte ik snel weg om mijn bus te halen.

Veel te snel, want na afloop van de wedstrijd ontstond er een ruzie tussen Inter-spits Icardi en de ultras. De fans waren niet tevreden met het optreden van hun ploeg en accepteerden het niet dat de spelers hun shirts naar het uitvak gooiden. Uit protest werden deze teruggegooid.

Icardi waardeerde dit weer niet en ging boos de discussie met de ultras aan. Dit leidde uiteindelijk tot een enorm verslechterde relatie tussen Icardi en de Curva Nord.

Hoewel ik kan zeggen dat ik bij de wedstrijd aanwezig was, kan ik niet zeggen dat ik het heetgebakerde akkefietje van dichtbij heb gezien. Erg jammer.

Uiteindelijk bezocht ik Inter dat seizoen zo’n tien keer. Ik zag ze geen enkele keer winnen. Enigszins teleurgesteld keerde ik terug naar Nederland. Toch keer ik vaak naar San Siro en naar Milaan terug. Door mijn vele bezoeken ken ik inmiddels de mooie wijken, de beste spa, de lekkerste restaurants en de plekken waar je zomaar Adriano Galliani of Massimo Moratti tegen het lijf loopt. Elke keer dat ik in de Italiaanse modestad kom, wordt het leuker. In de nabije toekomst zie ik mezelf er wel wonen. En is het niet in Milaan, dan wel in Florence, Rome of Bologna.

Tot dat moment probeer ik elk seizoen vrienden, vader en zussen mee te trekken naar wedstrijden van Inter.

Om ze over te halen, vertel ik dat er niets mooiers is dan de ontlading van een vol San Siro. Ik vertel ze vervolgens dat de fans de beste ter wereld zijn. En ik sluit af met het vertellen over mijn ervaringen met de club. Ik vertel dan hoe een vakantieliefde uitgroeide tot een langeafstandsrelatie, waarbij het nodig is de liefde minimaal twee keer per jaar te bezoeken. Meestal lukt het dan om vrienden of familieleden mee te krijgen. Wanneer ze vervolgens mijn Inter zien, zijn ze meestal op slag een beetje verliefd. Ze weten niet waar ze aan beginnen.