Het lot van een Interista

Dit artikel van de hand van Willem Haak verscheen in april 2018 in Staantribune.

Adriano, José Mourinho en vooral Diego Milito. Het zijn namen die de liefde van Willem Haak voor Inter door de jaren heen aanwakkerden. Zijn favoriete club in Nederland was van jongs af aan Ajax, zijn passie voor het Italiaanse voetbal en de nerazzurri kwam pas later op gang. “Er waren een hele hoop potjes FIFA, veel vakanties in Italië en een succesvolle Champions League-campagne voor nodig om de liefde te doen groeien.”

Zoals veel jongens van mijn generatie (geboortejaar 1996) groeide ik op met de Premier League als de grootste competitie ter wereld.Na het succesvolle decennium van de Serie A eind jaren negentig, werd deze machtspositie na de eeuwwisseling overgenomen door het Engelse, Duitse en Spaanse voetbal. In huize Haak stonden in het weekend dan ook vooral wedstrijden aan uit de Premier League, Bundesliga en de Primera División. Ole Gunnar Solskjær, Carsten Ramelow en Roy Makaay vulden het beeldscherm in de woonkamer in Zeist.

Pas later kwam de Serie A in de picture. De interesse ontstond vooral door de zomervakanties aan het Lago di Caldonazzo. Op de markt in het nabijgelegen Trento stonden kraampjes met goedkope voetbalshirtjes van (vooral) Italiaanse clubs. Het eerste shirt dat ik voor een tientje op de kop wist te tikken? Het blauw-zwarte van Inter. Achterop stond rugnummer 10 met de naam van Adriano, op dat moment nog een veelbelovende spits en sterspeler van de nerazzurri.

Vanaf dat moment besloot ik Inter te volgen. Weliswaar kende ik de club al door de Champions League-duels tegen Ajax, waarin Crespo steevast uitblonk, maar echt bekend met de nerazzurri was ik nog niet. Aan het begin bleef Inter dan ook vooral een vakantieliefde. Het volgen van de Milanese club ging niet veel verder dan het checken van de uitslagen op internet en het kiezen van Inter tijdens spelletjes als FIFA en later Football Manager.

Bovendien keek ik eigenlijk alleen de wedstrijden van Inter tegen het AC Milan van Shevchenko, Maldini en Seedorf, spelers die ik stiekem ook diep bewonderde. Desondanks riep de naam Milan destijds al een negatief beeld bij me op, vooral door de Champions League-ontmoetingen tegen Ajax in 2003. Ik was zes en mocht langer opblijven om de returnwedstrijd in San Siro te zien. Nadat het in Amsterdam 0-0 was geëindigd, stond het in Milaan na negentig minuten 2-2. Voor Ajax genoeg om door te gaan, totdat Tomasson in de laatste seconden scoorde. 3-2. Milan door. Huilen.

In Europees verband juichte ik destijds (en dat doe ik nog steeds) voor elke Nederlandse club. Een tweede negatieve ervaring met Milan was dan ook de uitschakeling van PSV in de halve finale van de Champions League van 2005. Het doelpunt van Ambrosini in de negentigste minuut staat nog steeds in mijn geheugen gegrift. Weer kropen de milanisti door het oog van de naald. Mijn hekel aan de rood-zwarte club uit Milaan was gevormd. Dat was jaren voordat ik de Serie A en vooral Inter fanatiek ging volgen.

Omslagpunt

Hoewel Inter al een tijdje mijn club in Italië was, kwam in 2010 echt het omslagpunt. Dat had alles met de succesvolle Champions League-campagne te maken. Ik genoot al met volle teugen van de manier waarop Inter in de kwartfinale Chelsea uitschakelde, maar de wedstrijden in de halve finale tegen Barcelona gaven de doorslag.

Doordat Barcelona fantastisch voetbalde, leek heel voetbalminnend Nederland in 2010 ineens fan van de Catalanen. Zo ook in mijn vriendengroep. Barcelona zou Inter wel eventjes uitschakelen. Dat bleek veel lastiger dan vooraf gedacht. In Milaan speelden Maicon, Diego Milito en Wesley Sneijder fantastisch, en het werd 3-1 voor Inter. Niet alleen in Milaan werd hard gejuicht. Ook in de woonkamer in Zeist stond ik juichend voor de tv.

Een week later moest Inter in Catalonië de 3-1 voorsprong verdedigen. Nog steeds was de algemene tendens dat Barcelona het varkentje wel even zou wassen. Ik had zelf een (vroege) avondwedstrijd en was net op tijd thuis om een door Busquets aangenaaide rode kaart voor Inter-middenvelder Thiago Motta te zien. Het was het moment waarop Mourinho besloot het nóg meer op de verdediging te gooien. Inter leunde met tien man achteruit en viel niet meer aan.

Op dat moment explodeerde de Whatsapp-groep met mijn vrienden. Inter werd beticht van verdedigend, laf en irritant spel en iedereen was op de hand van Barcelona. Ik niet.

Ik was de enige die genoot van de Italiaanse strijd voor de overwinning. Ik was de enige die genoot van Diego Milito, op dat moment misschien wel de beste spits ter wereld, maar die wedstrijd regelmatig in zijn eigen zestien te vinden. En ik was de enige die genoot toen José Mourinho provocerend het veld op rende om de finaleplek te vieren. In de voetbalwereld was het Inter tegen de rest. In mijn wereldje was het een beetje Willem Haak tegen de rest.

Pazza Inter

Barcelona – Inter bleek een omslagpunt. Sinds die wedstrijd probeer ik alle wedstrijden te zien, minimaal twee keer per seizoen naar het San Siro af te reizen en is Inter mijn echte passie. De Champions League-finale had daar niet eens meer een grote invloed op.

Was de liefde voor Inter een echte keuze geweest, dan hadden we kunnen constateren dat ik op het verkeerde moment ben ingestapt. Sinds 2010 wonnen de blauw-zwarten maar twee prijzen, eindigden ze (of mag ik ‘we’ zeggen?) onder andere op een zevende, achtste en negende plek en zag ik elf trainers passeren.

Steeds wanneer Inter aan de top terug lijkt te keren, gaat het mis. Elke keer doen de nerazzurri de bijnaam van Pazza Inter (‘Gek Inter’) eer aan. Het is vaak wachten op een vrije val, waarin Inter vier of vijf wedstrijden op een rij verliest. Een successupporter ben ik in ieder geval niet meer te noemen. Ondanks de magere jaren begint het seizoen van een gemiddelde interista meestal vol hoop. Vaak heeft de sportief directeur een aantal nieuwe spelers aangetrokken, staat er een nieuwe manager voor de groep en is er beloofd dat het nu echt het seizoen is waarin Inter weer gaat presteren. Meestal zijn de voortekenen goed en lijkt de trainer het goed voor elkaar te hebben. In de voorbereiding draaien de nerazzurri aardig en het enthousiasme onder de fans groeit.

De voorbereiding wordt meestal goed vervolgd. Inter wint en draait de eerste paar maanden van het seizoen met de top mee. Het is het moment waarop de gemiddelde interista vaak begint te zweven. Zou dit Inter eindelijk weer mee kunnen doen om de Italiaanse titel? Zouden de nerazzurri het hoge niveau eindelijk weer eens het hele seizoen vol kunnen houden? En als dat niet lukt, zit er dan op zijn minst een succesje in de Coppa Italia in?

Het is een vragenvuur waar de Italiaanse sportkranten vaak het antwoord op denken te weten. Wint Inter met 1-3 bij Juventus? Dan wordt Inter-manager Stramaccioni in de Gazzetta dello Sport met José Mourinho vergeleken.

Blijkt het San Siro ineens elke week volgepakt? Dan beweert de Tuttosport dat er in Milaan een titelsfeer hangt. Verslaan de nerazzurri de eerste tegenstanders elke week met 1-0? Dan kan het Napoli, Roma en Juve voorblijven, volgens de Corriere dello Sport.

Het is meestal het moment waarop ik mijn Italiaanse vrienden en vriendinnen gekscherend begin te whatsappen. Staat Inter eerste, dan wordt een berichtje ineens afgesloten met “een knuffel van de trotse koploper” of “Ik zie jullie in mei”.

De fans, onder wie ik, en de kranten zouden echter beter moeten weten. De geschiedenis leert namelijk dat het in december meestal faliekant mis gaat. Inter stelt één wedstrijd teleur en lijkt de mentale klap de volgende duels niet te boven te komen. Het gebeurde onder Ranieri. Het gebeurde onder Stramaccioni. Het gebeurde onder Pioli. Dit seizoen gebeurde het onder Spalletti. Steevast veranderde het mooiste meisje van de klas plotsklaps in een lelijke heks. Wordt de vrije val ingezet, dan stromen de berichten uit Italië binnen: “Ik zou voortaan niet appen voor het einde van de competitie, Willem.” Ik kan erom lachen.

Kikker

Het cynisme is een kenmerk van de gemiddelde interista. In haar 110-jarige bestaan werd de club meerdere malen getroffen door zwarte decennia vol prijzendroogte. David Endt beschrijft in zijn boek Mijn Inter dat de zelfspot steevast een middel is om het leed van de supporter een beetje te verzachten. Vaak is de humor een kleine pleister op de wonden. Wat betreft zelfspot staat Inter wél bovenaan de ranglijsten.

Zo ook in 2015. Na jaren vol trouwe dienst besloot eeuwig aanvoerder Javier Zanetti zijn voetbalschoenen aan de wilgen te hangen en in een andere rol voor Inter te gaan werken. Bij gebrek aan beter werd Andrea Ranocchia benoemd als vervanger en gepromoveerd tot aanvoerder. Door zijn slordige dekking was de lange slungel echter niet geliefd bij de supporters van Inter. De keuze van de club om de centrale verdediger tot capitano te bombarderen werd dan ook flink bekritiseerd. Omdat Ranocchia in het Italiaans ‘kikker’ betekent, was de grap al snel gemaakt. In de voorbereiding op het seizoen trokken twee vrouwelijke supporters naar het trainingscomplex van Inter om hun onvrede kenbaar te maken. Gewapend met een spandoek kwamen de twee fans bij de training aan. Tekst op het doek: “Ranocchia, als ik je kus, verander je dan in een voetballer?” Waarschijnlijk is het de dames niet gelukt een kus te bemachtigen, want Ranocchia bleef het gehele seizoen stuntelen.

Het was het seizoen dat ik wél enorm dichtbij het vuur zat. Mijn passie voor Inter was inmiddels zo groot dat het een van de redenen was om Italiaans te leren en een jaar in Italië te verblijven. Ik had de Serie A inmiddels jaren gevolgd met het commentaar van onder meer Emile Schelvis. Nu was het tijd om de taal en de competitie zelf eens goed te leren kennen. Omdat ik lieve ouders heb en ook zij het nut inzagen van het leren van een extra taal, trok ik naar de Laars.

Sassuolo-uit

Uiteindelijk woonde ik tussen 2014 en 2015 achtereenvolgens in Bologna, Florence en een plaatsje dichtbij Milaan. Ik ging voor zes maanden naar een talenschool en leerde de Gazzetta dello Sport zelf lezen, in plaats van steevast Engelse vertalingen op internet op te zoeken.

Dat seizoen bezocht ik enorm veel wedstrijden.

Dat waren meestal duels van Bologna en Fiorentina, aangezien die dichtbij waren. Vooral de wedstrijden bij de harde kern van La Viola waren fantastisch. Fiorentina haalde dat seizoen de halve finale van de Europa League en ik geloof dat ik in de knock-outfase geen enkel thuisduel heb gemist. Vaak was het stadion twee uur voor de wedstrijd al stampvol. Iets wat je in Nederland nooit zal zien. Bovendien was de sfeer in het prachtige Artemio Franchi vaak geweldig.

Een van de wedstrijden die ik dat seizoen in Florence zag, was het duel tussen Fiorentina en Inter. Het werd een van de ergste dieptepunten van het jaar. Inter bakte er helemaal niets van en werd volledig afgedroogd door La Viola: 3-0. Gelukkig zat ik dat duel niet bij de harde kern en kon ik blijven zitten bij de doelpunten. Net als de vader en dochter voor mijn neus, overigens. Gedeelde smart is halve smart, maar die avond in Florence was de teleurstelling alsnog erg groot.

Tegen beter weten in ging ik dat seizoen uiteindelijk tóch nog naar twee uitduels van Inter. Het eerste was bij Empoli, waar Inter niet verder kwam dan een saaie 0-0. Omdat ik niemand zo gek kon krijgen om een dure treinreis naar Emilia Romagna te boeken, werd Sassuolo – Inter het eerste duel ooit dat ik helemaal in mijn eentje bezocht. In het uitvak van misschien wel het lelijkste stadion van Italië zat ik voor het eerst tussen de mannen van de Curva Nord. Nadat Inter er deze keer met 3-1 af was gegaan, spurtte ik snel weg om mijn bus te halen.

Veel te snel, want na afloop van de wedstrijd ontstond er een ruzie tussen Inter-spits Icardi en de ultras. De fans waren niet tevreden met het optreden van hun ploeg en accepteerden het niet dat de spelers hun shirts naar het uitvak gooiden. Uit protest werden deze teruggegooid.

Icardi waardeerde dit weer niet en ging boos de discussie met de ultras aan. Dit leidde uiteindelijk tot een enorm verslechterde relatie tussen Icardi en de Curva Nord.

Hoewel ik kan zeggen dat ik bij de wedstrijd aanwezig was, kan ik niet zeggen dat ik het heetgebakerde akkefietje van dichtbij heb gezien. Erg jammer.

Uiteindelijk bezocht ik Inter dat seizoen zo’n tien keer. Ik zag ze geen enkele keer winnen. Enigszins teleurgesteld keerde ik terug naar Nederland. Toch keer ik vaak naar San Siro en naar Milaan terug. Door mijn vele bezoeken ken ik inmiddels de mooie wijken, de beste spa, de lekkerste restaurants en de plekken waar je zomaar Adriano Galliani of Massimo Moratti tegen het lijf loopt. Elke keer dat ik in de Italiaanse modestad kom, wordt het leuker. In de nabije toekomst zie ik mezelf er wel wonen. En is het niet in Milaan, dan wel in Florence, Rome of Bologna.

Tot dat moment probeer ik elk seizoen vrienden, vader en zussen mee te trekken naar wedstrijden van Inter.

Om ze over te halen, vertel ik dat er niets mooiers is dan de ontlading van een vol San Siro. Ik vertel ze vervolgens dat de fans de beste ter wereld zijn. En ik sluit af met het vertellen over mijn ervaringen met de club. Ik vertel dan hoe een vakantieliefde uitgroeide tot een langeafstandsrelatie, waarbij het nodig is de liefde minimaal twee keer per jaar te bezoeken. Meestal lukt het dan om vrienden of familieleden mee te krijgen. Wanneer ze vervolgens mijn Inter zien, zijn ze meestal op slag een beetje verliefd. Ze weten niet waar ze aan beginnen.

Hoe Atalanta succes boekt met Cruijffs ideeën

Emilio Andreoli via Getty Images

Dit artikel van de hand van Willem Haak verscheen op 19 februari 2017 bij Catenaccio.

Begin januari startte Atalanta Bergamo het Serie A-duel met Sampdoria met twee zeventienjarigen in de basis. Dat is uitzonderlijk, maar bij Atalanta geen verrassing meer. Hun jeugdopleiding staat bekend als een van de beste van Italië, waar wordt gewerkt zoals wijlen Johan Cruijff het graag bij Ajax had gezien. De Onder-15 en -17 werden afgelopen zomer landskampioen, het eerste staat vijfde met vijf zelf opgeleide spelers in de selectie en de nerazzurri verkochten afgelopen transferperiode voor liefst vijftig miljoen euro aan jeugdexponenten. Middenvelder Roberto Gagliardini trok naar Inter, terwijl verdediger Mattia Caldara vanaf medio 2018 het shirt van Juventus aantrekt. Het is het resultaat van de Methode Atalanta , gelijkend naar de ideeën van Cruijff en al jaren in de praktijk gebracht door de Italiaanse middenmoter.

Hoe ziet dat er dan uit? Bij Atalanta ligt de focus volledig op de eigen jeugdopleiding. Vanaf het moment dat een jeugdspeler in de opleiding instroomt, wordt alles in werking gesteld om hem zo goed mogelijk voor het eigen eerste elftal klaar te stomen. Dit gebeurt volgens drie pijlers die vergelijkbaar zijn met de methode-Cruijff. Dat zijn scouting op identiteit, Individuele training van karakter en vaardigheden en het aanstellen van specialisten.

Scouting op identiteit

“Wanneer we een speler selecteren kijken we evenveel naar het karakter als naar de technische eigenschappen. Het voetbal van tegenwoordig kent een hoog tempo en een langzame speler zal het altijd moeilijk hebben zich hieraan aan te passen. Daarom moet een jonge speler snel van geest én snel van benen zijn. Techniek en snelheid zijn twee essentiële eigenschappen.” (Maurizio Costanzi, hoofd jeugdopleiding Atalanta)

Wanneer er in het ziekenhuis van Bergamo een baby wordt geboren, dan staat hij direct op de radar van de plaatselijke voetbalclub. Sinds het najaar van 2010 doet het bestuur van Atalanta – momenteel zesde in de Italiaanse Serie A – namelijk een voetbalshirt cadeau aan elke pasgeborene in de regio. Met het gebaar wordt een band met het achterland gecreëerd, om hier later de vruchten van te plukken. Dit doet de derde voetbalclub van Lombardije dan ook graag. Een voorbeeld is Andrea Conti – de concurrent van Hans Hateboer op de rechtshalf positie – werd op jonge leeftijd opgepikt bij een amateurclub in Lecco, een stad gelegen in de nabijheid van Bergamo. Atalanta heeft zo een verbond met het merendeel van de voetbalclubs in de regio. Slim, want Inter en Milan – beide gevestigd in het nabijgelegen Milaan – vissen uit dezelfde vijver. Wanneer een voetballertje uitblinkt op de amateurvelden, wordt Atalanta direct ingeschakeld en krijgt het een eerste optie op de desbetreffende jongeling. In ruil hiervoor organiseert het bestuur van de nerazzurri clinics, verzorgt het de voetbalkleding en betaalt het de Bergamese jeugdclubs ieder twaalf- tot veertienduizend euro.

Atalanta’s jeugdopleiding bestaat uit ongeveer 300 spelers. Hiervan komt meer dan negentig procent uit de regio Bergamo. Waar er voorheen enkel in Italië naar spelers werd gekeken, breidde de jeugdscouting zich in de afgelopen jaren uit naar Afrika. Met succes. Dit seizoen brak er met Franck Kessiè (20) een Ivoriaanse speler door, terwijl ook Emmanuele Latte Lath (18, Ivoorkust) zijn debuut voor Atalanta maakte. Hoofd jeugdopleiding Maurizio Costanzi beaamt: “Afrika heeft een enorm potentieel, wat inhoudt dat het de toekomst van het voetbal kan zijn. Ook in genetisch opzicht heeft een Afrikaanse atleet vaak enkele voordelen boven een speler uit een ander continent.”

Het merendeel van de scouting vindt echter nog altijd plaats in Italië. Om een speler zo goed mogelijk te beoordelen heeft het bestuur van de nerazzurri zestig observeerders aangesteld. Deze scouts zijn niet per se in dienst bij de Italiaanse club. Een observeerder kan ook een jeugdtrainer bij een amateurclub in de buurt zijn. Wordt een speler getipt door een observeerder, dan worden de betaalde scouts ingeschakeld.

In dit proces worden de jongelingen tussen hun zevende en twaalfde levensjaar intensief gescout op hun balbehandeling en (vooral) op het gedrag. Breed gedragen normen en waarden zijn immers essentieel zijn in de jeugdopleiding van het Italiaanse Atalanta. Heeft een voetballer een uitstekend balgevoel, maar is het gedrag op het veld slecht, dan valt hij af.

Een voorbeeld is Mario Balotelli. Toen de huidige spits van OGC Nice dertien was, werkte hij een stage af bij Atalanta. Tijdens een van de oefenpartijtjes reageerde Balotelli echter erg fel op de scheidsrechter van dienst. Voetballend speelde de Italiaanse aanvaller iedereen weg. Omdat persoonlijkheid een essentiële eigenschap in de jeugdopleiding van Atalanta is, werd Balotelli op basis van zijn arrogante en onrustige houding echter afgewezen. Hij kwam uiteindelijk in de jeugdopleiding van Inter terecht. Toenmalig hoofd jeugdopleiding van Atalanta Mino Favini beaamt : “Iemand met goede manieren is immers sneller bereid om ons type training te accepteren.”

Karakter en cultuur kweken

“Wat het moeilijkste aan het voetbal anno 2016 is? Het opvoeden van de spelers. En dan bedoel ik ook het vormen van eigenschappen als opofferingsgezindheid voor het team. Het laten voelen dat niet alles van anderen moet komen, maar vooral uit jezelf.” (Maurizio Costanzi, hoofd jeugdopleiding Atalanta)

Wanneer een speler wordt beoordeeld en Atalanta hem wél besluit aan te nemen, dan komt hij in de jeugdopleiding terecht. Vanaf dat moment wordt een speler opgeleid voor het eerste elftal van de nerazzurri. Om een speler hiervan bewust te maken, ligt de focus in de eerste jaren van de jeugdopleiding (naast het trainen van de balbehandeling) nog steeds vooral op het vormen van het karakter. Tot de Onder-12-elftallen zijn trainers van Atalanta vooral docenten. De focus ligt niet op het voetbal, maar op het opvoeden van de voetballertjes. Elke speler in de jeugdopleiding van Atalanta krijgt individuele training en wordt in dit proces persoonlijk begeleid door één psycholoog en door drie docenten.

De psycholoog volgt de persoonlijke ontwikkeling, waarbij jeugdspelers om de drie maanden bij de specialist op bezoek gaan. Tijdens deze gesprekken wordt de persoonlijke gemoedstoestand van de jeugdspeler bekeken. Om het maximale uit de jeugdspeler te halen is het immers van belang dat degene zich op de jeugdopleiding thuis voelt en zich aan de normen en waarden van de club aan kan passen.

De drie aangestelde tutoren houden het proces op school in de gaten. Jeugdspelers uit de regio gaan in de buurt van trainingscomplex Zingonia naar school. Jeugdspelers van verder worden voor een kostschool ingeschreven, waar kennis wordt gemaakt met de plaatselijke cultuur. In dit proces worden de behaalde schoolcijfers bekeken. Lukt het een speler niet om zowel óp als naast het veld te presteren, dan is het einde verhaal.

Om afwijkend gedrag uit te bannen, straft Atalanta haar spelers bij excessief gedrag dan ook zwaar. Toen Alberto Grassi – momenteel lid van de eerste selectie – zich in zijn tijd bij de Primavera (Onder-21) racistisch over een tegenstander uitliet en uit het veld werd gestuurd, wachtte het bestuur van de nerazzurri de straf van de Italiaanse voetbalbond niet af. Grassi werd tijdelijk uit het elftal gezet en diende zich voor straf enkele maanden één keer per week bij te plaatselijke kerk te melden om de pastoor te helpen. Als klap op de vuurpijl verplichtte Atalanta de jeugdspeler een bezoek te brengen aan een Ghanese man in het ziekenhuis. Alles om de speler in het vervolg in het gareel te houden.

Indien Atalanta besluit een voetballer aan een andere club uit te lenen, dan verwacht de club dan ook dat de desbetreffende speler de ethische code elders doorzet. Mino Favini: “Wanneer we iemand verhuren en de desbetreffende club me opbelt om te zeggen dat de speler in kwestie zich goed gedraagt, dan levert me dit me de meeste tevredenheid op.”

Hoe spelers beter worden

“De prestaties zijn aan onze hele jeugdopleiding toe te schrijven. In dit proces zijn vooral trainers, maar ook mensen uit alle andere delen van de club betrokken. De scouting is hierin enorm belangrijk en de basis waar vanuit we altijd beginnen. Desondanks is de jeugdopleiding het werk van een groep, die volledige betrokkenheid van iedereen vereist.” (Maurizio Costanzi, hoofd jeugdopleiding Atalanta)

In de oudere jeugdteams ligt de focus wél op het veld. Elke jeugdspeler wordt een persoonlijk schema aangemeten. Dit schema verandert iedere drie maanden, waarbij er aandacht is voor de persoonlijke ontwikkeling van de speler. Teamtraining is van ondergeschikt belang. In dit proces probeert Atalanta de jongeling dus (nog steeds) zo individueel mogelijk te begeleiden.

Tot het veertiende levensjaar krijgen de jeugdspelers géén vaste positie op het veld toegewezen. Dit betekent dat alle facetten van het voetbal aan bod komen. Ambieert een twaalfjarige jeugdspeler een carrière als spits, maar heeft hij moeite met verdedigen, dan wordt er in zijn persoonlijke trainingsschema toch vooral plek ingeruimd voor defensieve training.

Op dat moment is tactische training nog niet aan de orde. Tot de Onder 15-ploeg wordt er vooral met de bal getraind. Hierbij wordt vooral getraind op het ontwikkelen van de techniek. Voormalig hoofd jeugdopleiding Mino Favini: “Het vroeg beginnen van het trainen van de techniek is in mijn ogen een van de belangrijkste zaken in het voetbal. Barcelona voert deze trainingsmethode waanzinnig goed uit, waarmee ze nog altijd hoge ogen gooien. Het is de methode waarin ik altijd heb geloofd.”

Spelers worden niét opgeleid om al in de jeugd om prijzen te strijden. Later – wanneer het eerste elftal al in zicht is – beginnen de jeugdploegen pas met het trainen op het gebruiken van diverse formaties. Dit gebeurt wél in groepsverband. Deze trainingen vinden plaats op Zingonia, het hypermoderne trainingscomplex waar enkele jaren geleden nog voor tien miljoen euro aan werd verbouwd.

Hoewel Atalanta’s Onder-15 en Onder-17 afgelopen seizoen algeheel Italiaans kampioen werden, beweert het bestuur van de nerazzurri in de jeugdopleiding niets om resultaten te geven. Spelers worden opgeleid voor het eerste elftal. Spelers worden niét opgeleid om al in de jeugd om prijzen te strijden. Het is een filosofisch aspect dat van Ajax is afgekeken, beaamt ex-hoofd jeugdopleiding Mino Favini: “De manier van opleiden van Ajax is een voorbeeld. In de jeugd geeft men daar niets om resultaten op het veld. Men is enkel geïnteresseerd in het opleiden van de spelers, en hen te laten zien hoe te voetballen.” Winnen is in Bergamo niet belangrijk. Persoonlijke progressie des te meer. Om dit te bewerkstelligen maakt Atalanta gebruik van een team specialisten.

Jeugdteams worden in het ontwikkelingsproces meestal getraind door ex-spelers met een verleden bij Atalanta. Deze trainers kennen de clubcultuur en worden in staat geacht deze breed gedragen normen en waarden op de jeugdspelers over te brengen. Ook hierin deed de jeugdopleiding inspiratie op uit het model van Ajax: “Of we ons inspireren uit andere jeugdopleidingen? Elke periode kent zijn eigen modellen. Er is een tijd waarin Ajax de klok sloeg, daarna was het aan Portugal en daarna leidden Spaanse ploegen het best op. Ik denk dat we er goed aan doen uit elk van deze modellen wat inspiratie op te doen, zonder iets letterlijk te kopiëren.”

Bij Atalanta worden de meeste jeugdploegen geleid door een trainer met een verleden bij de club, omdat zij goed in staat zijn de professionele cultuur van de club op de spelers over te brengen. Hoewel het boven alles belangrijk is om een speler individueel beter te maken is de clubcultuur hierin nog altijd leidend, aldus hoofdtrainer Gian Piero Gasperini : “We krijgen dit alles voor elkaar omdat de club serieuze en structurele plannen heeft. De fans zijn fanatiek en ik heb al enkele interessante spelers in de jeugdteams gezien. Het project is enorm gericht op spelers uit de eigen jeugdopleiding. Bovendien worden de banden met de regio aangehaald. Atalanta lijkt in deze op Athletic Bilbao, maar dan iets minder overdreven. Wanneer een jeugdspeler goed is, maar niet met een Bergamees accent spreek, dan nemen we hem natuurlijk net zo goed aan.”

Waar Ajax in 2015 definitief van het Plan Cruijf afstapte, blijkt de soortgelijke Methode Atalanta te werken. De club verkocht de afgelopen transferperiode al voor vijftig miljoen euro en staat met enkele jeugdexponenten in de basis op een vijfde plek in de Serie A. Het verbaast ex-hoofd jeugdopleiding Mino Favini niets: “De jongens van Atalanta hoofdrolspelers in de Serie A? Dat komt niet als een verrassing. Sterker nog, in de nabije toekomst zullen er nog meer toptalenten debuteren.”